De stadsgedichten van Ramsey Nasr

portret van Ramsey Nasr tegen de achtergrond van de nieuwe Permeke bibliotheek
Ramsey Nasr (c) Koen Broos

Ramsey Nasr was Antwerps stadsdichter van januari 2005 tot en met januari 2006 - zijn 'regeerperiode' viel dus samen met het laatste deel van ABC2004. Hij schreef in totaal 9 stadsgedichten en het Cahier Z voor het project Stad van Letters. De gedichten zijn hier stuk voor stuk te lezen.

 

voor wie in
vreemde landt

kom atlas
draag de stad met de koperen sterren

neem haar vast in uw grote reizigershand
bekijk van ver de bewoners

wrijf erover

wrijf atlas
breng knikkerglans terug over ons

bind ons vast in zonnige brokken
plak de stukken stad op uw rug
plant voeten ferm op onze bodem
stamp gerust en wandel
met lange-afstandswortels

probeer het atlas

maar eerst

zing
voor het laatst
van het gevleugelde paard dat u hier bracht

neurie
nog één afscheidslied uit het blote geheugen
doe dit tergend langzaam
trek u daarna de jas van gebrekkige taal aan

vanaf vandaag zult ge stotteren
waar gij vandaan kwam
haperen van een verre jeugd
gevleugelde paarden gaan er mank
vandaag hebt gij uw vader
voorvaderen ontmand

atlas
zoudt ge niet ons
in hun plaats op u willen nemen

zijn wij geen schone vreemden dan

zet uw schouders neer aan onze kade
zet u
wij zullen uw heuvelrug beklimmen
licht zijn als mogelijk
en uw eerste middag samenzitten

wij zullen een uitkijk vormen op de schelde
die ons liefheeft           vermoedelijk
(goederen van winst en last
dreef de rivier vanzelf naar ons midden)

atlas
ge zoudt vanaf uw eigen rug
eens onze daken moeten zien
roodkoperen spiegels staan ze
schuin naar boven afgericht
wat niemand wist
behalve nu

laat ons nu
voorzichtig wandelen

weet ge
hoe vele zegens telt de koekenstad
hier vindt men meer dan zeven meter regen
hier verbrandt men zelfs van voren zijn
schepen
tussen eb en vloed leven er sinjoren
op stand en veel te brede voet

hier zijn we
onder ons

daar zijt ge
onder ons

wees
welkom

meer dan
welkom

en
atlas

help ons

hef
ons
op

dik en bloot
bevolkten wij de duurste schilderijen

onbeschaamd verenigd waren wij
ooit
een volk van drukte en kaartenmakers

lawaailetters
          plantrekkers
uitleggers
          andersdenkers

kooplui waren wij
en aardige kooplui

voor exotische poeha moest je bij ons zijn
hier verkocht men nog
          de betere branie
inheemse amok
wij hadden sjieke akketaten in stock
gaven ze bijna gratis op uw bakkes

wij waren makkers

en bouwers waren wij
als goede vlaamse kabouters
trokken wij kloosters op en muren
almaar hoger

met onze boerentoren
gaven wij de wolken klop

we waren een stad die haar stad wou ontstijgen
beter dan anderen ja
          beter dan wij
                    waren wij
en wie helpt ons
deze staart weer uit de mond te krijgen

atlas
klop de aarde van uw pels
het poedergoud uit uw vermoeide haren
en bouw
bouw koterieën weerom tot kathedralen

geef ons de smaak terug van specerijen
blaas windkruid achter oren vandaan

wij waren het volk van luchtmythomanen
vertolkt gij voor ons
          dat vergane geluk

atlas
maak wat stuk was

geef ons de stad
of tenminste onze mildheid terug

schenk gloednieuwe mythen
van gemengde komaf

laat ons beginnen van voren af

maak ons maagd

schrijf een gedicht uit deze scherven
herleid heel de wereld tot antwerpen

en het is misschien
wat laat

maar ook wij atlas
ook wij zijn tot goedheid in staat

gun ons een kans
op reservesteden

wees veilig aanbeland
bij ons in den vreemde

klimt gij dan op ons
kijk rond en betast

wees niet bang
om ergens aan te komen

dans over de rug
van uw koperen stad

wees haar
tot de nodige ballast

misschien
kunt gij haar leren dansen

wie in antwerpen wil landen
moet bijkans een tegenvoeter zijn



uw liefhebber


misschien is dit een dag om uit de hoek te komen
temidden van de stad mijn diepe gêne uit te stallen
als gereedschap op een eiermarkt en alleman te vragen
maak geluid op mij, betast mijn schone instrumenten
want alleen in muzikanten kan ik wonen

ik bezit voor u geschikte boren, schroeven, tangen
om dit hopeloos lichaam minder openbaar
en tegen zichzelf bestand te maken, ik bezit
stilte om te blazen, vol van koperen knoppen sta ik
wijdbesnaard, mijn toetsen gaan lek van verlangen

sommige dingen zegt men liever niet - tenzij
tegen een lief en een lief bezit ik niet
ik slaap al jaren in de okselbloem van een trombone
ik lig op de rug van strijkersbogen, mijn rust
vormt de lome buik van pauken, ik slaap onbewoond

alleen in muziek voel ik handen binnenglijden
aan haar durf ik soms mijn hout, mijn riet, mijn vel
bekennen, voel ik tong verdwijnen in koperen mond
elke bekkenslag een muziek in onze onderlijven
sommige dingen zegt men beter niet

en ik weet niet goed hoe u dat doet, hoe anderen
zich in een kern van kristallijnen koepels plaatsen
met zeven doorschijnende sirenen om zich heen
maar ik, als ik dit gloeihoofd naakt wil binnendoen
heb daar geen vrouw maar trillingen voor nodig

o onvolmaakte - zo plant ik mij voort in filharmonie
ik bevolk een volledig orkest met twee oren, hier
in mijn loge zweeft de transparante stad zonder woorden
breekt water hier uit ogen omwille van een sol of mi
hier zijn besloten vrienden: ik en mijn eenmanssymfonie


UtopiA 

soms droom ik nog van het korte bezoek
dat de eilandman bracht aan deze stad
om onze lieve vrouw te begroeten

in een onderstroom van eigen gedachten
stond de eilandman voor de jonge kathedraal
met haar heilige muil - en gaapte naar binnen

leeg, aangespoeld lag ze aan zijn voeten
een splinternieuw skelet voor de godheid
ja een zware maria om te bidden

was het liefde of ontzag voor zijn dame
dat hij plots als een bakvis begon te zweven
en giechelend opsteeg in de wetenschap

dat hij aan zijn helverlichte hoofd hing
(twee beentjes onder een zwellende schedel)
rond haar cirkelde en vloog vol ongeloof?

ze volgde zijn razende vlucht met haar ruiten
eenmaal duizelig geworden zag ze pas goed
hoe dit slechts het begin van hun paringsdans was

zijn kop had nu de vorm van een wonderlijk ei
totdat hij ter hoogte van de zuidwestertoren
er zacht tegen tikte - in een ochtendgloren

brak de eilandman open: een teder vuurwerk
kwam traag over haar in alfa's en omega's
of hebreeuwse letters als sneeuw voor maria

boven de antwerpse stad was geknetter te horen
van synapsen, parabolen, enzymen en z-assen
hij was een meer dan redelijke storm voor haar

dat komt ervan wanneer je hersenstam eenzaam
begint te takken en te spruiten: in leerstof
dwarrelen je bloesems langs ruiten omlaag

weg was de eilandman - opgeslokt, hijzelf
had haar geen offer maar de geest gegeven
en zij was lichter dan hij haar aangetroffen had

ei zo na dit halve millennium later
wacht ze gewillig met wijdopen deuren
hangt het kruis windstil in haar als een huig

onze dame droomt van nieuwe jonge mannen
jonge vrouwen die een ingekakte stad
aan hun mond zouden kunnen zetten als klankkast

die hun gezwavelde tanden der kennis tonen
met liefdespijlen de toekomst bestoken: studenten
stroom binnen als bier, breek bekken open

schop in deze stad ook jezelf een geweten
sluit vriendschap met je schedel, geef het te eten
leg je kop als een vijand het vuur aan de schenen

drijf hogere handel, denk nooit aan je kassa
sta, en droom vast: wees het twijfelend eiland
temidden van wijde onwetende massa


Een minimum

lees me dan
luister dan zacht

ik ben de muur
en muurvaste man

jarenlang zitten
mijn lief en ik stil

tegen dit plafond
van gitzwarte kas

en vanaf ons vel
begint de bodem

en daar is geen rek
om haar te omarmen

zij zit ertussen
ik zit eronder

en ja ik heb niks
jazeker ik ben niks

maar godmiljaar
ik kan overleven

ik knok tot nu
de jaren rond
van beens af aan
tot aan mijn dood
zal ik tegen u
dit plafond
en alle ogen
in uw mond
opknokken

ik zal uit mijn pree
tevoorschijn komen

meewandelen onder haar
met mijn kansarme zon

en rondbazuinen

  hier staan wij
klein en fier

lijk een mens
op een plein

en ik zou met u niet willen ruilen
ik zou er geld voor willen geven

om net als u
mezelf te zijn 


De changeur   

Van de nacht emmekik ne ketter gezien.
Schoon en stil stond em onder de maan
te zingen tegen het steen, tegen het water
en wijl dat em zong dan changeerden em
langzaamaan zelfst in een magere zee.

In deze nacht zong em om schepen,
tintelend lichaam wacht op regen.

En bij zonsopgang stond em nog altijd
lijk ne schemer tussen riool en jasmijn.
Hij kost maar niet kiezen tussen felrooie liefde
en razernij om zijn vermassakreerde stad
en changeerde vaneigens in twee kapiteinen.

En éne kapitein hield em schuil in den dag
onder krulvarens, mos en het laag kreupelhout;
en dien andere kapitein liet em varen: omhoog,
steil omhoog naar de zon, naar stille mansardes.
Daar zitten ze nu op malkander te wachten.

En gij changeert in dromen lijk het water.
En gij changeert, ge duizelt over de aarde.

Gij ga   van bolbliksem tot blinkvloeker,
van juke-boxer tot druivenplukker,
van minnelonk zonder stoef of palatie
tot poesjepoppen met schelige gratie,
van wappers en geuzen en waterratten,
van breugels en van de zatte gordijnen,
van stalen boren en Sanderjon
en van eenzame, eenzame Vlaamse
zakken vol spijt en beton.

Antwerpia staat in uw hart geplant,
laat deze stad u nooit doen wijken.

Op klaarlichte dag staat ne zanger lijk een groep
en hij kost er de zwarte botten niet stoppen
of de bruin enveloppen die dat em vervloekt,
maar hier op zijn eentje omhelst em het steen.
Zijn gitaar is een lief voor de magere zee.

Gij schoon, schoon stamp in 't gat   van modelprovincialen,
van jezuietenklap,
van politiek ajuinen
en van 't weldenkerschap.
Gij schoon, schoon toeffeling gij   van de malkontenten,
van sentimentele generaals,
van blazen en cenakels
en van soi-disante flaminganten.
Gij schoon, schoon Wannes gij.

En a ge dan wilt varen gij Wannes: doeget niet.
Changeert liever zelfst in 't Scheld met een lied.
Gaat niet varen, blijft hier, bezingt uw rivieren,
uw verrenuweerde straten en uw jeugd.
Er steekt een bitterschone deugd in u.   Blijft hier.
Antwerpia staat in uw hart geplant,
laat deze stad u nooit doen wijken.
Ge vindt er in verre zeeën geen gelijke.
Verdwaalt met ons nog éne keer,
vervloekt ons - maar blijft hier.   Blijft bij ons.


Het huis van honing en melk

De vrouw op het statige Zuid bestaat niet. Overdag begraaft ze zichzelf.
Ze huurt de seconden en uren af in een dure onzichtbare stad.
Het huis dat de vrouw bewoont bestaat niet. Ik weet waar. In deze straat
ligt het stiltegebied van de woondienst, een gat gevuld met kamers.

  De vrouw, die het huis niet verlaat, maanbleek en onderkomen is,
woont niet echt in een goor donker hol achter de Volksstraat.
Zoiets kan niet, dat bestaat niet. Ze woont niet echt, maar alsof.
Dit verheldert de zaak: ongeldige vrouw heeft zich als nacht verstopt. 

De vrouw met man en vier kinderen heeft geen recht op honger,
geen reden tot licht, elektro of warm water. Ze mag niet klagen.
Ze mag hier niet werken zolang ze niet bestaat. En vooral vice versa.
Tot die tijd moet ze weg. Het systeem werkt m.a.w. perfect.

  De kinderen - één, twee, drie, vier - de kinderen zijn net echt.
's Nachts niet, dan slapen ze tussen strontlucht en kakkerlakken
samen op de vochtige grond. Niet echt: ze doen alsof. In elk geval
zie ik er 's ochtends drie naar een propere school vertrekken. 

Die school bestaat. Vrienden van mij sturen hun dochter ernaartoe.
De school heeft een naam, een stedelijk goede naam op 't Zuid.
De school treft geen blaam. Men zag er drie kinderen in een klas
elke dag hun ogen stijf toeknijpen, niemand wist wat het was.

  Het was het zonlicht. Vier kinderen groeien, nogmaals, op in een hol.
Eén dochter heet Noer, zij werd zes in het donker. Ze spreekt Vlaams.
Noer bestaat, ze is een illegaal halflicht met de zieke ogen van een mol,
de natte longen van een zeehond en een hart dat ze hier heeft opgedaan. 

Er is ook een weldoener. De weldoener bezit het huis dat niet bestaat.
Zonder hem geen ongedierte, monoxide of kans op ontploffing op 't Zuid.
Ontploft de boel, dan verbrandt misschien het gezin, maar ook het huis.
Daarom vraagt de weldoener geld. Om wel te kunnen blijven doen.

  Weldoeners weten: elke mens is een vierkante meter, elke meter
een luxeleven voor wie weinig excuus of geen enkel bezit.
Weldoeners lichten op in de duisternis. Ze verhuren een aambeeld
om in te wonen. Slaan erop totdat het bloost. Tot het bloost als een matras. 

Antwerpen, gij zijt een schone stad, gevuld met onzichtbare wanhoop.
De huurders van uw paradijs zochten hogere honing en appelspijs.
Men gaf ze bittere bijen te eten, loodwitte melk. Nog bleven ze bij u.
Zegt gij het dan. Wat moet een mens met zijn vreemden aanvangen?

  Antwerpen zeg ons, wat doen wij straks als de kakkerlakken zijn bekeurd,
de gaten in hechtenis genomen, de schimmels bewaard voor het archief?
Wat doen we met het overschot? Wat doen we met kind 1, 2, 3 & 4?
Ze zijn volledig opstapklaar. Gelukkig bestaan er formulieren. 

't Is goed in de eigen stad te kijken. Ook wij willen weldoen. Wij willen
onze illegalen tellen, namen geven en ingeburgerd wegsteken in een cel,
een hol met hek. Maar zèg dat dan gewoon. Spreek helder Vlaams en zeg:
duik in vogelvrije vlucht omlaag, omlaag naar het licht van de Schelde.



Stadsplant   

I     (de wortel)

het was zonnig die dag, ik liep zonder helm over de leien
ingeburgerd als altijd, vrij als een ijzeren vlinder, volmaakt
gelukkig en op deze dag stortte ik gillend omlaag langs de werken
waar een mammoetbot mijn val brak: welkom in antwerpen

  ik houd van opgebroken straten en bouwkuilen, ik snuffel graag zacht
aan die grens tussen ijstijd en stad, op mijn handen loop ik er rond
splijt grond onder kasseien, als een kind bij een inkijkoperatie wens ik
dat er iets moois uitkomt, een stadswal, munt of een stuk van een mens 

alleen ditmaal, nu ik afgleed en de leien zelf zich vooroverbogen
oprezen als een vloedende golf boven mij en mijn mammoetbotje
ditmaal dus, nu de volledige stad zich languit kreunend openbraakte
en sloot - dit was toch anders (iemand zoog me als pepermunt in slaap)

  toen ik ontwaakte met de smaak van moeras in mijn mond
bevond ik mij in een donker, een onbekend ontwerp, iets van
antwerpen ja maar als stelsel van buizen, ruien en ingangen
ideale stad voor dichters en ratten, een deadline met zijtakken 

wat was dit, wie had die schitterend zinloze kanalen gegraven
met leeg zwart water, wist men dat op het kabinet, wist men daar
dat ik hier onderaards kon bootjevaren in een illegale stad
waar elke straat een dubbelganger met naambord had?

  ook gloednieuwe tunnels liggen kant en klaar - maar voor wie?
zandvreters hebben een wegennet voor schimmen en doden aangelegd
voor onbestaande auto's, trams en schepen, terwijl vlak hierboven
het leven barst, lonkt en vastligt in een immer open graf 

toegegeven, gezellig was het niet beneden, weinig ambiance
maar wat een rust: geen telefoon, geen achterklap of niks
en mogelijkheden voor het oprapen in deze spiegelstad
in deze kanalen zou ik met liefde willen verdwalen

  ik zou kriskras dagenlang rondgokken op de tast
tot ik pardon madam tegen de scheldewand zou botsen
en de schelde zei kom het is maar een deukje, hoe is je naam
zij nam mij vast in haar mooie rivierarm en liet me weer gaan 

toen ik tot slot de zandeter zelf in de scherpe ogen had gekeken
klom ik terug, ik stak mijn kop weer op als een mol in de kathedraal
en keek rond - ik was mezelf nog, ik was ramsey, voor de verandering
niet stilaan in een hij veranderd, maar in een gedicht op vakantie


II     (de stengel)

natuurlijk hadden we bang, ja bang dat hij via zwalpende omweg
aan onze melk, onze eiermarkt zou raken, schuren zou
langs de naakte muren van onze lieve vrouw of erger nog
bang hadden wij van gedachtes aan hem in de haarstraat

  er waren er die hem 's nachts richting bloedberg hadden horen
stiefelen (alleen dat woord al: stiefelen) en wat hij daar deed
we weten het niet, niemand heeft hem er ooit zien opduiken
wat extra verdacht was want wat had hij daar onzichtbaar te zoeken? 

wij voelden reeds hoe hij vloekend onze stad kwam omwallen
ons lichaam aanklampte met zijn brug van gladde palingen
wat wil de dichter? hij wil kansloos paren met onze stad
de man trekt op een zwarte dag als hete jas ons vleeshuis aan

  wij zagen het komen: ons huis rond zijn leden en uit wandelen gaan
de pagadder zal ons kapotparaderen in speklaag, rode steen en o!
was godfried 3 met de bult of 2 met de baard desnoods er nog maar
niets staat nog vast - misschien is de dichter een vreemdeling zeker 

maar allerbangst hadden wij (wij: clémentine, thérèseke, onze frans
ons milou, marjetje, de swa, de mil, de neus, onze rudy moustache
ons florreke, de senne, de fonne, den tuur, ons yvon en de schele mon)
toen de groenplaats zelf begon te schudden lijk tafel plus assenbak

  we renden in paniek de eerste de beste kathedraal in
en zagen nog juist hoe hij (hij weer!) al rijmend en broebelend
de heilige vloer met gedenkplaten van onderen kopstoten gaf
erdoorheen brak en triomfantelijk de ruimte betrad als een zaad 

vreselijk was het, hij stak meteen zijn hoofd in het orgel
hij kroop door de pijpen en nee toch, het verspreidde zich
duizendvoudig versterkt galmde het, vermenigvuldigd was hij nu
een leger van vieze hunnen en goten binnen onze schone muren

  één-één-twee! maar hij zat al met zijn poten aan de zijbeuken
hij begon traveeën te strelen, kapellen te kittelen, te betasten
een zachte beeldenstorm was hij o god waar bleven die flikken
licht van spitsbogen ving hij op, het glas-in-lood begon te blozen 

toen zag hij ons - we stonden genageld van binnen en hij donderde:
'dag clémentine, dag fons, dag josé, gérard, miraise, philemon
dag thérèse, ghiselin, flor, swa, mil, tuur, frans, gust en yvon
daar ben ik, zullen we dan maar beginnen? voetjes van de grond!'

  hij wees omlaag naar onze glansgelakte schoenen en o, o, o
wat keken we op toen hij die steunbeertjes onder ons wegsloeg
ons ongevraagd een citytrip lyrisch aufsteigen aanbood
we zouden helium gaan drinken, poefen op zonlicht - en dat mag niet 

'vind u het goed als ik uw kathedraal even opblaas en volsteek?'
neen! riepen we maar hij nam ons snel op in zijn gedicht, verbijsterd
hingen we als ballonnen tegen het kruisgewelf boven het schip
ja toen stegen we maar op, met onze lieve-vrouwe-zeppelin de hemel in

  al snel hingen we met onze maagd boven de stad, totaal belachelijk
we moesten onze voeten uitdoen, over mijn lijk, maar je moest wel
we strooiden ze uit over de stad en zagen ze als dode vogels neervallen
licht, angstig keken we uit gothische ramen, gevangenen in zijn gedicht 


III     (de bloem)

de vraag is deze: gaat u mee van koekensgracht tot vlaaikensgang?
van kopstraat tot zakstraat was ik altijd een vreemde gebleven
wat wist ik van gagelbaan, lapperbos en de hele battaklan?

  welnu, de slapende stad heb ik onder ons gespreid als een lichaam
ze ligt in narcose, neem alle tijd, vlieg rond en wijs mij rustig
de ledematen (verbindingsgeulen, omheiningleien, grensstraten) aan 

zeg mij a.u.b. A waar het verschil zit tussen kipdorp en klapdorp
B wat de kern is, C wat het sas is, D wat bist, E wat zand, F dries
onderwijs me in de raadsels van wapper, klipper- en klamperstraat

  als ik haar code ken zal ik in ruil, van hamerplein tot gruisweg
van goethestraat tot muggenpad, van erasmuslei tot banaanweg
uw stad wakkerkussen, mijn lippen zullen dichterkikkers zijn 

en sorry van het vliegen maar op deze hoogte zoen ik graag
voel ik donderkopjes in mijn maag van schoonbroek tot schroeilaan
o stijfselrui o paalstraat, ik krijg lust om de stad te bezitten

  als een veranderend element zal ik hart met hitte breken
uit gist, gas, kalkstraat en olie heb ik mij een vrouw verkregen
groot antwerpen, sta op! loop met mij van lobbesplein tot bollebeke! 

o ja ik wil! ik draag je door vrijgezellenstraat naar beddenstraat
ik wil je totaal van nieuw stad tot ouland, van oever tot toog
via lentelei en korte batterijstraat zullen wij mekaar beademen

  maar zij - met haar limbastraat, klipstraat en wipstraat blijft ze
roerloos als een gehavende metropool - één stroomstraat beweegt
de elektronikalaan legt de hoorn van de telefoonstraat - ze zwijgt 


thérèse, clémentine, de rudy moustache, miraise, de swa en de sjarel
ze plakken nog altijd tegen de ruiten van hun zwevende kathedraal
hevig verlangend naar venusstraat en ruimtevaartlaan beneden

  dan ook, als op een teken begint het licht te haperen, de zon zakt
ze ploft bolrood ineen en trekt ons mee naar onbekende ondergang
tussen ons ontwaakt de stad als lichaam van water en lampen 

landend bij nacht zien we nog net een metropool haar arm heffen
en strekken - ze krabt wat aan de groenplaats, voelt uitgeslapen
of haar kathedraal er nog zit (ja, we zijn er) en staat op

  het is voorbij, op weg naar de uitgang vraag ik de sinjoren:
en, hebben we het gezellig gehad? heerlijk hoor, antwerpen
stilte - milou mompelt zacht: 'wa wette gai van ongs stad?' 

dus ik zeg tegen haar, ik zeg milou moet je horen zeg ik
tot vandaag ken ik enkel de hollandstraat en de rotterdamstraat
ik ken de haifastraat, de olijftakstraat, de jerusalemstraat

  in de jodenstraat vind ik mijn weg sinds lang zonder problemen
ik ken de van campenhoutstraat en de kneuterlei, de weerstandlaan
en de zwijgerstraat en de pesthofstraat en de galgenstraat 

en de janssensstraat en de goedendagstraat en de leguit en de
goede hoopstraat en de wouwstraat en de onafhankelijkheidslaan
en de overwinningstraat en de vrijheidsstraat en et cetera


envoi:
'alles bon en wel, o grote poëet-labbekak-de-la-ville
maar excusé dat is antwerpen niet, uw hele sinksefoor daarboven
en uw mammoetbot en alles, schoon ze, maar dat pakt hier niet

  waarom ruikt ge niet eens aan de geurende boezem van onze stad?
gij telt blaadjes op afstand en schrijft tevreden: een bloem zag ik
maar kom toch dichter, ruik, we zijn echt meneer, wij leven 

pas als ge aan ons gesnoven hebt, aan ons vlees, ons bloed
onze petrol en de sluikstort diep in onze kelk, dan misschien
doen we mee aan uw zweverig straatnamen-tric-trac-spel

  met uw eendrachtstraat, uw eenheidstraat, uw verzoeningstraat
uw gelijkheidstraat en de harmoniestraat en de welvaartstraat
ja wie weet stijgen ook wij dan via voorspoedlei en regenbooglei 

omhoog langs onze hemelstraat, niet omdat u dat verzonnen had
maar omdat we dat zo willen: kijk dan onze zonstraat, onze
hemelrijklaan gaat van offerandestraat richting paradijsstraat

  en niet langer omhuld door de muren van onze lieve madam
stormen we binnen, wij: thérèse, philemon, de neus en al de rest
van je hopland hosanna de heilig hartstraat in, gewichtloos hoger 

waar het strand van sint anna als een ansicht op ons wacht
om dan bij de reuzenpoort wellicht die rechterhand vol ballast
mee af te werpen, samen aan te kloppen - te worden toegelaten

als waarlijk vrije verzen in ons eigen stadsgedicht'

Print deze pagina