Contacteer stad Antwerpen

Samen maken we diversiteit bespreekbaar

Kinderen zijn vaak nieuwsgierig. Ze hebben veel vragen want ze willen volop de wereld verkennen. Dat biedt meteen ook kansen om een thema als diversiteit aan te kaarten en bespreekbaar te maken. Je houdt het best wel speels, laagdrempelig en positief. Deze 5 tips helpen je daarbij.


1. Start zelf het gesprek.

Je hoeft niet bang te zijn om gevoelige thema’s in de klasgroep te gooien. Kinderen zijn niet te jong voor kritische gesprekken over huidskleur, beperkingen of verschillen. Met zulke gesprekken zorg je zeker niet voor vooroordelen, integendeel: 

  • Je geef hen een trots gevoel over hun identiteit.
  • Je reikt taal over die onderwerpen aan.
  • Je geeft aan dat gesprekken over huidskleur oké zijn in jouw klas.
  • Je leert hen om:
    • verschillen te respecteren 
    • voor elkaar op te komen bij onrechtvaardige situaties

Wil je een gesprek rond diversiteit met kinderen starten? 
Dan doe je dat best op een kindvriendelijke en positieve manier.

2. Denk eraan: ongemakkelijke gesprekken zijn beter dan geen gesprek.

Welke woorden, vragen of voorbeelden werken het best tegen vooroordelen? Dat kon onderzoek nog niet exact bepalen. Wat wel zeker is: ongemakkelijke gesprekken hebben een positiever effect dan géén gesprek. Start dus zeker een gesprek op, ook al zijn er onzekere of ongemakkelijke gevoelens.

3. Geef je juiste informatie, op maat van de leeftijd?

Diversiteit kan een moeilijk thema zijn. En jonge kinderen hebben vaak moeite met complexe boodschappen en subtiele nuances. Wees je bewust van je eigen gevoel bij een bepaald thema. Dat gevoel mag tijdens het gesprek niet domineren. Kinderen zoeken vooral informatie, geen meningen. 

Je kan daarom eenvoudige en neutrale antwoorden op vragen geven, als die er zijn. 
En je kan ook al proactief nadenken over vragen die veel voorkomen. Bijvoorbeeld:

  • Vraag: “Wat is een lesbische?”
    Antwoord: “Een lesbienne is een meisje dat verliefd wordt op een meisje. Hoe noemen we een meisje dat op een jongen valt (of omgekeerd)? Hetero.”
  • Vraag: “Kijk, die!,” zegt een kind terwijl ze wijst naar een vrouw die in een rolstoel zit.
    Antwoord:  “Jij merkt op dat ze in een rolstoel zit. De vrouw kan waarschijnlijk niet (goed) wandelen, dus ze gebruikt haar rolstoel om overal naartoe te gaan. Zoals ik een bril draag om me te helpen zien, helpt de rolstoel haar om ergens naartoe te gaan!”

Tips

  • Geef de informatie neutraal en zonder oordeel mee.
  • Huidskleur, seksuele geaardheid, beperkingen, … maken ons uniek en tot wie we zijn. En dat is nooit minder of beter dan een ander.
  • Weet je het niet? Antwoord dan bijvoorbeeld:
    • “Ik weet het niet. Goede vraag, zullen we het samen opzoeken?”
    • “Dat is een belangrijke opmerking, ik heb wat tijd nodig om daarover na te denken. Spreken we daar direct over verder?”

4. Beantwoord een vraag met een andere vraag.

Wat antwoord je als een kleuter vraagt: “Hé, jongens dragen toch geen rokjes, dat is voor meisjes?”. 

Dan kan je antwoorden: “Iedereen mag hier dragen wat die wilt.” Maar zo lok je geen kritisch gesprek uit. Je stelt beter een nieuwe vraag zoals “Waarom denk je dat?”. 
Op die manier:

  • houd je het gesprek open
  • laat je kinderen zelf kritisch nadenken over bestaande denkbeelden of stereotypen

Dat is leerrijker dan een antwoord te geven op de vraag. Je kan ook voorbeelden geven van culturen waar het vanzelfsprekend is dat mannen jurken of rokken dragen. Bijvoorbeeld het dragen van een Schotse kilt.

Deze vragen kunnen ook helpen:

  • “Waarom denk je dat?”
  • “Geloof je dat zelf?”
  • “Ken je iemand bij wie dat niet zo is?”

5. Geef je voldoende aandacht voor verschillen én gelijkenissen?

Een gevoel van verbondenheid ontstaat als kinderen het gevoel krijgen dat ze ‘erbij horen’. 
Wil je dat bereiken? Stimuleer dan aandacht en respect voor de onderlinge verschillen, maar zorg ook dat ze elkaars gelijkenissen herkennen.

  • Laat kinderen vertellen (of tekenen) over dagelijkse activiteiten die alle kinderen gemeenschappelijk hebben, zoals ‘wakker worden’, ‘ontbijten’, ‘kleren uitzoeken’, ‘naar school’ of ‘naar bed gaan’. 
  • Ga daarna in gesprek over herkenning. Het is een goed idee om te benadrukken wat gemeenschappelijk is, maar ook aandacht voor de verschillen te stimuleren. 
    • dat het onderwerp ‘taboe’ is 
    • dat ze info ergens anders moeten zoeken (bij leeftijdsgenootjes, op televisie …)

Vanuit herkenning ontstaat verbondenheid. Bijvoorbeeld: maak aan de hand van wiskunde (grafiekjes) duidelijk wie houdt van spaghetti of van frietjes.

 Tips

  • Leg minder de nadruk op gender en genderrollen.
    Zeg je vaak ‘laat eerst de jongens en dan de meisjes naar buiten laten gaan’? 
    Het is beter om te zeggen  ‘eerst die met veters, dan diegenen met velcro aan hun schoenen’. Zo leg je minder de nadruk op gender als bepalend verschil, en vermijd je stereotypen.
  • Maak diversiteit al vroeg bespreekbaar in de klas.
    Start je gesprekken op over diversiteit? Dan leg je een basis bij kinderen om ook als volwassene te praten over bijvoorbeeld uiterlijk, raciale kenmerken of klasse.
     Zo geef je hen niet de boodschap:
Diversiteitsactie: beeld

Lees of leer meer over gesprekken voeren rond diversiteit

Heb je vragen? Wij horen het graag!

Dit initiatief is een samenwerking tussen stad Antwerpen en Atlas, integratie & inburgering Antwerpen en expertisecentrum LEERT! van de AP Hogeschool.