Welkom!

Antwerpen.be maakt gebruik van cookies. Aan de hand van die cookies verzamelt en analyseert Antwerpen.be informatie over uw bezoek. Genieten van een optimale A-ervaring? Bevestig met alle cookies toestaan. Stel voorkeuren in en bepaal welke informatie u met Antwerpen deelt. Houd er rekening mee dat bepaalde media enkel beschikbaar zijn indien u de cookies ervan aanvaardt. Antwerpen.be bewaart cookievoorkeuren. U kan ze aanpassen via cookies beheren. Meer weten? Raadpleeg onze Cookieverklaring. Antwerpen.be waardeert uw vertrouwen en wenst u een verrijkende surfervaring toe!

Nooduitgangen en evacuatie

De inrichting van een nooduitgang en een evacuatie moeten aan een aantal voorwaarden voldoen. Hieronder vindt u alvast enkele richtlijnen.

Bekijk volgende filmpjes waarin wordt getoond hoe u best evacueert in een huis met jonge kinderen en in een huis met ouderen.

Vaakgestelde vragen

Hoe groot moet een pictogram zijn?

De afmeting van de signalisatie is afhankelijk van de leesafstand. Om ervoor te zorgen dat de afmeting van een pictogram zo comform mogelijk de Europese Richtlijn is, gebruikt u best deze afbeelding als richtlijn. In geval van slechte of onvoldoende natuurlijke lichtbronnen, moeten fotoluminiscente borden gebruikt worden. Vooral voor vluchtwegaanduiding en nooduitgangen is dat belangrijk.

Wat zijn de richtlijnen voor nooduitgangen in ondergrondse parkings bij een middelhoogbouw?

Het Koninklijk Besluit van 7 juli 1994 (gewijzigd bij KB van 19 december 1997, 4 april 2003, 13 juni 2007, 1 maart 2009 en 12 juli 2012) tot vaststelling van de basisnormen voor preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen (bijlage 3/1) is hierover zeer duidelijk. Het is van toepassing op alle middelhoge gebouwen waarvoor een bouwvergunning is ingediend na 31 december 1997.

Artikel 4.2.2.3 “ Op iedere bouwlaag wordt de verbinding tussen de evacuatieweg en het trappenhuis verzekerd door een zelfsluitende deur met EI1 30 die toegang geeft tot een overloop in het trappenhuis. Deze deur draait open in de vluchtzin en mag niet uitgerust zijn met een vergrendelingssysteem dat haar opening zou beletten. Haar nuttige breedte is groter dan of gelijk aan de vereiste nuttige breedte en bedraagt ten minste 0,80 m.”

Artikel 5.2. Parkeergebouwen: “Bij afwijking van het in 2.1 gestelde grondbeginsel kan een parkeergebouw een compartiment vormen waarvan de oppervlakte niet beperkt is, zelfs wanneer er verscheidene communicerende bouwlagen zijn. De wanden tussen de parkeergebouwen en de rest van het gebouw voldoen aan de voorschriften van 4.1. In het parkeercompartiment mogen evenwel sommige, niet voor verblijf bestemde lokalen worden opgenomen zoals elektrische cabines, archieflokalen, technische ruimten, ... De wanden van deze lokalen vertonen een EI 120 en de toegang geschiedt door een sas met wanden EI 120 en zelfsluitende deuren EI 130. Op elke bouwlaag is de evacuatie als volgt geregeld : ten minste twee trappenhuizen voldoen aan de voorschriften vervat in 4.2 of 4.3 en zijn vanuit ieder punt van de bouwlaag toegankelijk; de af te leggen weg naar de dichtstbijzijnde trap mag niet meer dan 45 m bedragen; de minimale nuttige breedte van deze trappen bedraagt 0,80 m;”

  • zoals gesteld in 2.2.2 alinea 3, mag op het beschouwde bouwlaag de vereiste toegang tot één van de twee trappenhuizen vervangen worden door een rechtstreekse uitgang naar buiten;
  • op de bouwlaag die het dichtst bij het uitritniveau ligt, mag de hellende rijweg één der trappenhuizen vervangen indien zijn wanden EI 120 hebben en de helling gemeten in haar hartlijn niet meer dan 10 % bedraagt;
  • de beperking van 10% geldt niet voor compartimenten gelijk of kleiner dan 500 m², indien evacuatie via de helling mogelijk blijft.
  • buiten de signalisatie bepaald in 4.5 worden de evacuatiewegen, op elke bouwlaag, ook nog aangeduid op de vloer of juist erboven.

In de gesloten parkeergebouwen met een totale oppervlakte groter dan 2500 m², moeten maatregelen genomen worden die noodzakelijk zijn om de verspreiding van rook te voorkomen.

Mag de syndicus de nooduitgangen van een parkeergarage vergrendelen?

De arbeidswetgeving (ARAB) stelt dat de deuren van de (nood)uitgangen op elk ogenblik geopend moeten kunnen worden. Een vergrendeling die de gemakkelijke en onmiddellijke uitgang kan beperken mag niet aanwezig zijn.

Wat zijn de richtlijnen voor het afsluiten van nooduitgangen van appartementsgebouwen?

Er zijn een aantal wetgevingen waarin vermeld wordt dat deuren van nooduitgangen niet mogen vergrendeld worden op derwijze dat niet iedereen ze in geval van nood kan gebruiken. Welke wetgeving op uw gebouw van toepassing is, kan u zelf bepalen aan de hand van de onderstaand overzicht. Ook als uw gebouw buiten het toepassingsgebied valt, raden wij u aan om hier aan te voldoen.

ARAB

  • Geldt in gebouwen waar personeel tewerkgesteld is (vb. appartementsgebouwen met poetsvrouw voor gemeenschappelijke delen)
  • art. 52.4.1 : De deuren die naar buiten leiden moeten, wanneer de lokalen bezet zijn, op elk ogenblik kunnen geopend worden met het oog op de ontruiming van de inrichting en de doorgang van de hulpdiensten.
  • art. 52.5.9 : Het is verboden om het even welke voorwerpen die de doorgang kunnen belemmeren te plaatsen in de trappen, uitgangswegen, uitgangen, nooduitgangen en wegen die er naartoe leiden of de nuttige breedte ervan te verminderen.
  • art. 52.5.12 (gewijzigd door KB 18.06.93):
    • uitgangsdeuren van de lokalen van de eerste groep. Deze deuren moeten in de richting van de uitgang of in beide richtingen opendraaien.
    • deuren van de nooduitgangen. Deze deuren moeten in de richting van de uitgang opendraaien. Zij mogen niet op zodanige wijze vergrendeld worden dat zij niet gemakkelijk en onmiddellijk kunnen worden geopend door iedereen die ze in geval van nood zou moeten gebruiken. Schuifdeuren en draaideuren mogen niet als deuren van nooduitgangen gebruikt worden. Deze bepalingen zijn van toepassing op de gebouwen die in opbouw zijn of gebouwd worden na 1 januari 1993, alsmede op de gebouwen die voor die datum gebouwd zijn en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een wijziging, een uitbreiding of een omvorming na 1 januari 1993. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de gebouwen die op 1 januari 1993 in gebruik zijn en waartoe lokalen van de eerste groep behoren of wanneer de kenmerken van de arbeidsplaats, de omstandigheden of een risico zulks vereisen.

Basisnormen

  • Van toepassing voor middelhoge en hoge gebouwen gebouwd of uitgebreid na april 1995 (datum bouwvergunning).
  • Hoogte h van een gebouw:
    De hoogte h van een gebouw is conventioneel de afstand tussen het afgewerkte vloerpeil van de hoogste  bouwlaag en het laagste peil van de door de brandweerwagens bruikbare wegen omheen het gebouw. Het dak met uitsluitend technische lokalen wordt bij deze hoogtemeting niet meegerekend. De hoge gebouwen HG: degene waarvan de hoogte h groter is dan 25 m. De middelhoge gebouwen MG: degene waarvan de hoogte h gelijk is aan of begrepen is tussen 10 m en 25 m. De lage gebouwen (LG): degene waarvan de hoogte h kleiner is dan 10m. Voor de middelhoge en hoge gebouwen geldt het volgende (uit bijlage 3 art 4.2.2.3 en 4 art 4.2.2.2). Op iedere bouwlaag wordt de verbinding tussen de evacuatieweg en het trappenhuis verzekerd door een zelfsluitende deur met EI 130 die toegang geeft tot een overloop in het trappenhuis. Deze deur draait open in de vluchtzin en mag niet uitgerust zijn met een vergrendelingssysteem dat haar opening zou beletten. Haar nuttige breedte is groter dan of gelijk aan de vereiste nuttige breedte en bedraagt ten minste 0,80 m.


Wat zijn de wettelijke bepalingen omtrent evacuatie in appartementsgebouwen?

Dit hangt deels af van de ouderdom van het gebouw. De recente wetgeving (basisnormen) is vanaf 1994 van kracht. Voor oudere gebouwen is er dus geen strikte wetgeving. Er moet wel terug gekeken worden naar de oorspronkelijke bouwvergunning. Hierin zijn mogelijk enkele brandvoorzorgsmaatregelen opgelegd. Algemeen kan gesteld worden dat elk appartement toegang moet geven tot een trap waarmee het gelijkvloers bereikt kan worden. In geval van rookontwikkeling is het immers beter om richting gelijkvloers te gaan dan omhoog waar het risico op verstikking het grootst is. Als dit niet meer mogelijk is, is het afdichten van de kier onder de deur met natte doeken en vervolgens naar een raam aan de straatzijde gaan een mogelijk alternatief.

Wat kan ik (huurder/syndicus in een appartementsgebouw) doen als ik me zorgen maak over de brandveiligheid van het gebouw?

In eerste instantie is het van belang om na te kijken wat er in de bouwvergunning is opgelegd. Er zijn zeker enkele brandvoorzorgsmaatregelen in opgenomen. Volgende zaken zijn sterk aangeraden en in sommige gevallen verplicht: onder andere veiligheidsverlichting, snelblustoestellen, pictogrammen, rookdetectoren, rookkoepel, gecompartimenteerd trappenhuis, gecompartimenteerde leidingschachten…

Daarnaast is het ook van belang om te handelen als “goede huisvader”. Belangrijkste aspecten hiervan zijn het correcte gebruik van het gebouw en het in orde houden van brandvoorzorgsmaatregelen en technische installaties. Indien er een discussie is waar jullie niet uit geraken, kan u zich ook tot het vredegerecht richten.

Dit artikel is gedeeld door
Brandweer Zone Antwerpen zorgt voor de veiligheid van de bevolking en bezoekers van Antwerpen, Zwijndrecht en Wijnegem.
Brandweer
827000+