Contacteer stad Antwerpen

Marie Adell en haar echtgenoot Nikolas Stitchinsky, 1939. FelixArchief, 481#246322.Felixarchief

Roma in Antwerpen: een vervolgde minderheid

De Tweede Wereldoorlog maakte erg veel slachtoffers, ook in Antwerpen, maar hoe verging het bepaalde minderheden? Hier werd nog maar beperkt onderzoek naar gedaan, dus dook historica Hazel Waeterschoot op vraag van district Borgerhout in de archieven. Lees hier haar bevindingen rond Roma, een zwaar geviseerde bevolkingsgroep.

Sinti, Manoesj, Rom, Gitano, … er zijn veel subgroepen van de ‘Roma’. Ze hebben een eigen taal en cultuur en trekken met hun families rond in woonwagens, maar zeker niet alle Roma zijn nomadisch. Het is een bevolkingsgroep die vaak in armoede leeft. In het interbellum woonden er hooguit 400 Roma in België. In officiële documenten van die tijd spreken ze over  ‘zigeuners’, ‘nomaden’, ‘romanichels’ of ‘bohemers’. Door hun afwijkende manier van leven worden Roma al eeuwenlang gediscrimineerd en gecriminaliseerd. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ze slachtoffer van vervolging. Binnen de nazi-ideologie waren Roma ‘onaangepasten’ of ‘asocialen’. Er was geen plek voor hen in het Duitse nazirijk. Dat was even goed voelbaar in het bezette België: de rechten van Roma werden ingeperkt en hele families werden gearresteerd en gedeporteerd. Hun verhaal blijft vaak onderbelicht. In historische bronnen is het zoeken naar een spoor, want Roma hebben meestal geen vaste verblijfplaats en blijven dikwijls onder de radar. Ze duiken nog het meest op in documenten van de lokale politie of de Vreemdelingenpolitie. Biografische egodocumenten van de Roma ontbreken.

Woonwagens in de Seefhoek

14 oktober 1939. De politie van de 5e wijk in Antwerpen, de Seefhoek, stelt een verslag op over de familie Adell. François Adell woont samen met zijn 17-jarige zoon Arnold in een woonwagen in de Duinstraat, tegen de grens met Borgerhout. ‘Zij leiden een soort bohemersleven en hebben geene bestaansmiddelen dan 50 fr. steungeld dat zij wekelijks ontvangen vanwege het Fransche Consulaat.’ François heeft de Franse nationaliteit en is vioolhersteller, zijn zoon muzikant. Arnold speelt met zijn viool in cafés en op kermissen van kleine gemeenten. Ze komen vaker niet dan wel rond. Het verslag stelt verder dat er sinds enkele weken vier andere personen bij hen inwonen: dochter Madeleine met haar vriend en hun twee jonge kinderen. Een kleine thuis voor zes familieleden. De politie is oordelend: ‘Allen hokken samen in een kleinen wagen. Zulk samenwonen is volgens onze meening in strijd met de zedigheid en de gezondheid.’(1)

Leven tegen de armoedegrens

Roma wijken af van de norm, bijvoorbeeld qua jobs en woonomstandigheden. Daarom worden ze snel door anderen bestempeld als onfatsoenlijk of onaangepast. Uit het politierapport spreekt eenzelfde ondertoon, maar vooral de armoede van de familie komt naar voren. Dat blijkt ook uit een brief van François gericht aan de burgemeester van Antwerpen uit november 1939. Hij schrijft dat hij enkele jaren geleden in de administratieve molen zijn Belgische nationaliteit is kwijtgeraakt en nu op papier de Franse nationaliteit bezit. Daarom moeten hij en zijn kinderen elke zes maanden een aanvraag doen om hun vreemdelingenkaart te verlengen. François vraagt hulp want hij heeft geen geld om die administratieve kosten te betalen.

De familie Adell telt vele kinderen en ze wonen verspreid. Van 1937 tot 1940 wonen François en zijn zoon Arnold in Antwerpen. Ze veranderen wel regelmatig van adres. Een andere dochter, Marie Adell, woont ook in Antwerpen bij het uitbreken van de oorlog. In 1937 beschrijft de Antwerpse politie de 17-jarige Marie Adell als volgt: ‘Oefent geen beroep uit. Is niet in het bezit van een arbeidsvergunning. Loopt den ganschen dag langs de straat om aan andere vreemdelingen geld te vragen.’ (3) Drie jaar later, op 19 augustus 1939, trouwt Marie met de zoon van de herberguitbaatster waar ze een kamer huurt. 

Marie Adell en haar echtgenoot Nikolas Stitchinsky, 1939. FelixArchief, 481#246322.Felixarchief
Marie Adell en haar echtgenoot Nikolas Stitchinsky, 1939. FelixArchief, 481#246322.

Vlucht naar Frankrijk 

Na bijna een jaar oorlog in Polen, komt het geweld ineens heel dichtbij: op 10 mei 1940 wordt ook België binnengevallen door Duitse troepen. Met het uitbreken van de oorlog neemt de controle aan de grenzen toe. Hermetisch afgesloten zijn ze niet, maar landen doorkruisen - zoals vele Roma-families al jaren doen - wordt moeilijker. 

In de eerste dagen en weken na de Duitse inval slaan vier miljoen Belgen op de vlucht, waarvan de helft naar Frankrijk. De meeste Roma-families die in België wonen of er op doortocht zijn, sluiten zich aan bij de groep vluchtelingen richting het zuiden. Onder andere de uitgebreide familie Modis gaat met paarden en woonwagens naar Frankrijk, nu het noorden geen optie meer is. De familie verblijft regelmatig rond Antwerpen, maar is oorspronkelijk van Noorwegen. Na de Franse nederlaag keren ze terug naar België. Ook François Adell vlucht uit Antwerpen. Een dikke maand later, op 25 juni 1940, is hij terug in de stad. Maar deze keer niet voor lang: in september verhuist hij naar Brussel.(4) Andere Roma-families blijven in het bezette Frankrijk, en dat heeft grote gevolgen. Verspreid over heel Frankrijk richten de nazi’s in oktober 1940 interneringskampen voor Roma op. Zo belanden een 50-tal Roma uit België in het kamp van Linas-Monthléry nabij Parijs.(5)

De eerste verordeningen

Vanaf 18 mei 1940 is Antwerpen bezet door Duitse troepen, de rest van België volgt snel. De eerste Duitse verordeningen laten niet lang op zich wachten. Voor de Roma heeft de verordening van 12 november 1940 grote gevolgen. Die verordening verbiedt de reizende handel in Oost- en West-Vlaanderen en in het arrondissement Antwerpen. Een maatregel die waarschijnlijk spionage moest tegengaan.(6) Veel Roma verdienen hun kost als paardenverkoper, opkoper van oud ijzer of muzikant, dus een economische impact blijft niet uit. Daarnaast vraagt de Duitse overheid aan het Antwerps stadsbestuur  een lijst van vreemdelingen die in de stad verblijven. Ze moeten onder andere vermelden of de vreemdeling een Jood of ‘zigeuner’ is.(7) 

Van verblijfsverbod tot zigeunerkaart

In april 1941 gaat het nog een stapje verder: ‘rasechte zwervers’ krijgen een verblijfsverbod voor de provincies Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen.(8)  Doordat controles worden opgevoerd gaan Roma in kleinere groepen rondreizen en contact met overheden proberen te vermijden.(9) Dat betekent niet dat er geen Roma meer wonen of passeren in Antwerpen en haar districten. Er zijn sedentaire Roma en die blijven buiten schot, zoals Marie Adell. Maar ook de familie Modis passeert in de buurt, in Zandhoven. Lina Roussalino, vrouw van Henri Modis, probeert op 16 september 1942 om 64 bladen met rantsoenzegels te verkrijgen voor haar familie. Ze gebruikt hiervoor de ‘zigeunerkaart’ van haar man. In Zandhoven stellen de ambtenaren vragen bij het grote aantal zegelbladen en haar documentatie, daarom moet de vrouw drie maanden in de Antwerpse gevangenis verblijven voor vervalsing.(10) 

De invoering van de zogenoemde ‘zigeunerkaart’ moest fraude bij de voedselbevoorrading vermijden. Roma hebben meestal geen vaste verblijfplaats en gebruiken regelmatig verschillende identiteiten om aan voedsel te geraken. In januari 1942 zijn alle Roma ouder dan 15 jaar verplicht om zo’n kaart te hebben. Om de maand moet die kaart worden vernieuwd. Zoals uit het voorbeeld van de familie Modis blijkt dat de maatregel niet alle problemen oplost. De zigeunerkaart was wel een ideale manier om beter grip te krijgen op de rondtrekkende bevolkingsgroep: de Duitse bezetter weet nu beter hoeveel Roma er zijn, wie ze zijn en waar ze zich bevinden.(11)

Vlucht en deportatie

Ook de familie Adell krijgt het moeilijk. De 21-jarige Marie Adell duikt in september 1940 op in een politieverslag tegen een caféuitbater die ervan wordt beschuldigd minderjarigen aan te zetten tot sekswerk.(12)  Marie getuigt dat ze in de herberg vooral Duitse soldaten mee naar boven neemt en betaalde seks met hen heeft. De uitbater verdient er ook een cent aan. Ze blijft er maar drie dagen werken omdat haar papieren niet in orde zijn. Er zou ook een 17-jarig meisje zich prostitueren in de herberg. In augustus 1941 moet haar man in Duitsland gaan werken en blijft Marie Adell achter met twee kleine kinderen. Ze kan de rekeningen niet betalen. Een maand later verlaat ze het huis in Antwerpen. Een Antwerps politieman noteert dat ze waarschijnlijk actief is in de prostitie, want ‘haren omgang en zedelijkheid liet veel te wenschen.’(13) Enkele maanden later, in december 1941, verlaat Marie Antwerpen en vlucht ze naar Verviers.

Ook Arnold Adell moet naar Duitsland. Op 8  januari 1942 staat hij als dwangarbeider geregistreerd voor de ‘Reichsbahn Reinland-Köln’, een Duits spoorbedrijf. Een klein jaar later is hij, na een korte passage in de gevangenis van Sint-Gillis in Brussel, ingeschreven in de Dossin Kazerne op Transport Z. In zijn parcours blijven veel onduidelijkheden. Regelmatig spreken officiële bronnen over Roma elkaar tegen, mogelijk door naamsverwarring omdat Roma wisselende identiteiten aannemen maar ook regelmatig hun naam delen met lotgenoten.(14) 

Arnold Adell, ca. 1940. Algemeen Rijksarchief, Vreemdelingendossier Arnold Adell.Algemeen Rijksarchief
Arnold Adell, ca. 1940. Algemeen Rijksarchief, Vreemdelingendossier Arnold Adell.

De eerste arrestaties

1943 is een dramatisch keerpunt. Roma worden in België al belet in hun economische activiteiten en bewegingsvrijheid, in de loop van het jaar 1943 wordt het pijnlijk duidelijk dat de volgende stap deportatie is. De massale arrestaties starten in het najaar, op enkele uitzonderingen na. Op 6 februari 1943 arresteert de Geheime Feldpolizei negen mannen van enkele Roma-families die met hun wagens in Antwerpen verbleven, verboden gebied.(15) Onder hen is ook Henri Modis, vader van zes. Opvallend is dat enkel de mannen worden gearresteerd, bij latere arrestaties zijn het meestal hele families. De mannen worden ingeschreven in de gevangenis van Antwerpen, via de gevangenis van Sint-Gillis en Aken belanden ze als eersten vanuit België in het Zigeunerfamilienlager van Auschwitz.
In Antwerpen schrikt het Feldkommandantur wakker. Zijn er zeker geen Roma meer in de stad? Ze doen eind april 1943 een navraag bij de politie. Elke politiezone bevestigt, ook Borgerhout, dat er geen ‘zigeuners’ zijn op hun grondgebied.

De politie van Borgerhout bevestigt op 2 mei 1943 dat er geen Roma zijn in het district. Felixarchief, MA#41730.Felixarchief
De politie van Borgerhout bevestigt op 2 mei 1943 dat er geen Roma zijn in het district. Felixarchief, MA#41730.

Transport Z 

Vanaf oktober wordt het tempo van arrestaties opgedreven. Razzia’s vinden meestal plaats in de vroege ochtend. Feldgendarmen omsingelen de woonwagens en halen de Roma-gezinnen in heel België en Noord-Frankrijk uit hun slaap en zetten hen op de vrachtwagen naar Kazerne Dossin. Voor sommigen is er eerst nog een tussenstop in de dichtstbijzijnde gevangenis.

De kleine Papine en Rosa Modis werden geboren in Antwerpen. Ze staan als nummer 13 en 14 op Transport Z. Ze overlijden in Auschwitz. Kazerne Dossin, KD_00013_01Kazerne Dossin
De kleine Papine en Rosa Modis werden geboren in Antwerpen. Ze staan als nummer 13 en 14 op Transport Z. Ze overlijden in Auschwitz. Kazerne Dossin, KD_00013_01

In de Dossinkazerne worden de Roma in een aparte ruimte opgesloten, strikt gescheiden van de Joodse gevangenen. Op 15 januari 1944 vertrekt het enige ‘zigeunertransport’ uit België, het zogenoemde transport Z. Op de trein zitten 353 Roma, waaronder ook de hele familie Modis en Arnold Adell. Bijna de helft zijn kinderen jonger dan 15 jaar. De wagons worden gekoppeld aan een trein met Joodse gevangenen en vertrekt richting Auschwitz. Drie volle dagen duurt de treinrit van ontbering. Bij aankomst in Auschwitz worden de Joden geselecteerd, de sterksten naar het kamp, de zwakkeren en ouderen en kinderen naar de gaskamers. De Roma worden gescheiden gehouden en allen naar het Zigeunerfamilienlager gestuurd. Sommigen vinden daar familie terug, zoals de negen mannen die gearresteerd waren in Antwerpen. De levensomstandigheden zijn er afschuwelijk: infectieziekten gaan rond, eten is er bijna niet, de sterftegraad is uitzonderlijk hoog. Een dertigtal Roma uit België overleeft de hel doordat ze in andere kampen worden tewerkgesteld. In augustus 1944 worden de overgebleven gevangenen in het familiekamp uitgeroeid.

Oorlogstrauma’s

Van het Transport Z overleefden slechts 33 mensen. Arnold Adell is één van hen. Hij keert na de oorlog terug naar België en vestigt zich in Brussel. Slechts twee leden van de uitgebreide familie Modis overleven de kampen. Onderzoek en erkenning voor de oorlogstrauma’s van de Roma komen pas heel laat op gang. Zo werden Roma niet erkend als oorlogsslachtoffers en kregen ze geen financiële compensatie. De vervolging van de Roma was minder systematisch dan de Joodse bevolking, maar daarom niet minder catastrofaal. Zo tonen de vernedering, vervolging en totale willekeur waaraan Roma in Antwerpen en haar districten onder leden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Arnold Adell (midden) in Brussel, jaren 50. Kazerne Dossin, KD_00710.Rijksarchief
Arnold Adell (midden) in Brussel, jaren 50. Kazerne Dossin, KD_00710.