Hoe help je een vrijwilliger om Nederlands te oefenen?

Voor anderstalige vrijwilligers is vrijwilligerswerk een unieke kans om Nederlands te oefenen. Jij kan hen helpen om de taal te oefenen tijdens het vrijwilligerswerk.

Denk na over het taalniveau van taken

Hoe goed moet een vrijwilliger Nederlands kunnen om zijn taken uit te voeren?

  • Wat moet de vrijwilliger doen?
    Telefoneren, informatie lezen, informatie opschrijven voor collega’s ... ?
  • Hoeveel gesprekken moet hij doen?
  • Zijn de gesprekken altijd hetzelfde? Variëren ze? Zijn ze moeilijk?
  • Welk soort Nederlands gebruikt de gesprekspartner?
    Eenvoudig Nederlands of dialect?

Zo schat je in of een vrijwilliger Nederlans kan oefenen tijdens het werk.

Stimuleer de vrijwilliger

Gebruik visuele hulpmiddelen

Bijvoorbeeld woordenlijsten, foto’s … 

Stimuleer de interactie van de vrijwilliger met Nederlandstaligen

Geef taken waarbij hij moet praten met collega’s, bezoekers, deelnemers …

Voorbeeld: Zet een anderstalige vrijwilliger niet alleen aan de afwas. Laat hem ook glazen afruimen in de zaal. Zo communiceert hij meer met bezoekers, andere vrijwilligers ...

Laat hem zoveel mogelijk zelf praten

Voorbeeld: Werk je samen in de keuken? Vraag dan naar de namen van keukengerei. Of laat de vrijwilliger zelf zijn vragen stellen. Zo spreekt hij meer.

Splits taken op in deeltaken

Voorbeeld: Splits een toogdienst op. Zet een anderstalige niet achter de toog. Laat hem de barman helpen. Zo krijgt hij niet continu vragen. Hij leert op zijn tempo Nederlandse woorden en de namen van de drankjes.

Match taken met interesses

Voorbeeld: Werkt een vrijwilliger graag met kinderen? Zet hem niet in de keuken, maar laat hem activiteiten begeleiden.

Lok extra taal uit

Gebruik de omgeving om vragen te verzinnen.

Voorbeeld: Werk je samen in de keuken? Vraag dan naar de namen van keukengerei. Of naar zijn favoriete gerechten.

Beschrijf handelingen

Voorbeeld: Werk je samen aan de toog? Omschrijf wat je samen doet: “We zetten de bakken met de lege flesjes op de onderste plank. We zetten de theezakjes en suikerklontjes op de bovenste plank.”

Geef op een veilige manier feedback op taal 

Corrigeer niet direct. Dan riskeer je dat mensen niet meer durven spreken. Herhaal de zin in de correcte vorm.

Voorbeeld: Zegt de vrijwilliger “Ik heb 2 kind.”? Dan kan je antwoorden: “Leuk, je hebt 2 kinderen. Hoe heten ze?”

Geef complimenten over het Nederlands

Voorbeeld: “Dat heb je goed onthouden. Dat zeg je heel juist.”

Bereid samen een moeilijk gesprek voor

Overloop vaktermen, dialect of veelgebruikte woorden.