Vragen over de oproep Antwerpen Werkt Wijkgericht

Hieronder vind je vragen die vaak gesteld worden over de oproep Antwerpen Werkt Wijkgericht

Vragen over je kandidatuur indienen

In de oproep is de voorwaarde opgenomen dat een kandidaat minstens de cijfers van het afgelopen jaar 2025 moet kunnen aantonen. 

Is er geen jaarrekening, dan mag er ook een staat van ontvangsten en uitgaven en een staat van het vermogen voorgelegd worden. 

Indien niet mogelijk, kan er ook geen kandidatuur voor penhouder worden ingediend. 

Ja. Een organisatie kan betrokken zijn bij meerdere projectvoorstellen binnen de oproep, zowel als penhouder als als partner. Het is dus mogelijk om een project in te dienen als penhouder én tegelijk partner te zijn in één of meerdere andere projectvoorstellen.

Hou er wel rekening mee dat elk ingediend projectvoorstel afzonderlijk wordt beoordeeld op basis van de selectiecriteria van de oproep. Daarnaast moet de rol, meerwaarde en inzet van elke partner binnen elk projectvoorstel duidelijk worden omschreven.

Vragen over de doelgroep

Ja. We stellen enkele samenwerkingen voor (zoals met Atlas) maar toeleiding mag breed opgevat worden. 

Mensen kunnen zich ook zelf aanmelden. Er zal dan nog wel een screening moeten gebeuren om te zien of de persoon zeker op de juiste plek zit. Hoe dat er juist zal uitzien en welke rol de partners hier zelf in kunnen spelen, werkt de stad nog verder uit, samen met VDAB.

Het verschil zit vooral in de afstand tot de arbeidsmarkt: bij Horizon spreken we van een multiproblematiek en zeer grote afstand. Deze oproep richt zich op mensen met een grote afstand. Als we kijken naar drempels, is dit het verschil tussen meerdere grote drempels versus één grote (of kleine) drempel.


We hebben persona's uitgewerkt rond de grote afstand (via mail op te vragen) en werken dit in de toekomst ook uit voor de andere afstanden. Dit om de verschillen heel helder te krijgen. 

Nog een verschil is dat de focus binnen deze trajecten op werk ligt, met ruimte om te werken aan randvoorwaarden. Bij Horizon werken ze aan werk en welzijn. 

Ja, de doelgroep jongeren en vrouwen met een migratie-achtergrond kunnen overlappen. De partnerschappen kunnen hierin zelf prioriteiten stellen.

De screening moet nog verder worden uitgewerkt in samenspraak met de partners Atlas, VDAB en stad Antwerpen.

Het betreft een screening om de afstand tot de arbeidsmarkt te bepalen. Voor de meest kwetsbare doelgroepen bekijken we, hopelijk in het najaar van 2026, maar anders in het voorjaar van 2027 hoe we deze vanuit de 2 nieuwe partnerschappen zullen vormgeven.

Vragen over vindplaatsen en partners

Ja, scholen zoals CVO en Ligo kunnen zowel als vindplaats als als partner betrokken worden in het partnerschap.


Als vindplaats kunnen zij een belangrijke rol spelen in het bereiken en detecteren van de doelgroep, bijvoorbeeld cursisten met een (latente) arbeidswens of afstand tot de arbeidsmarkt. Dit sluit aan bij de brede verwachting om samen te werken met lokale actoren en verschillende vindplaatsen.


Als partner binnen het partnerschap kunnen zij bijkomend een inhoudelijke rol opnemen, bijvoorbeeld rond taalverwerving, competentieversterking of oriëntering richting werk. Hierbij is het belangrijk dat hun rol complementair is aan die van de andere partners en bijdraagt aan de doelstellingen van de oproep.


De concrete rol en positionering (vindplaats, partner of beide) wordt verder uitgewerkt binnen het partnerschap zelf, in functie van de noden van de doelgroep en de voorgestelde werking.

Vragen over bemiddeling

De focus van het partnerschap ligt in de eerste plaats op de trajectbegeleiding van de deelnemer richting werk. Tegelijk maakt bemiddeling naar werk integraal deel uit van deze opdracht.
 

De oproep verwacht dat partnerschappen ook inzetten op bemiddeling naar werkgevers, waaronder het matchen van kandidaten met vacatures en het betrekken van werkgevers. Dit kan onder meer omvatten: ondersteuning bij rekrutering, het openstellen van vacatures voor de doelgroep en het bevorderen van een inclusieve instroom op de werkvloer. 


Het is aan het partnerschap om hierin een passende aanpak uit te werken, afgestemd op de noden van de doelgroep en de lokale arbeidsmarkt. Dat betekent dat de mate waarin actief met werkgevers wordt gewerkt kan variëren maar dat dit wel een onderdeel is van een kwalitatief traject richting duurzame tewerkstelling.


Kort samengevat: de kern ligt bij begeleiding van deelnemers, maar actieve bemiddeling en samenwerking met werkgevers worden expliciet mee verwacht als onderdeel van die trajecten.

Vragen over de rol en positie van jeugdwerk

Gedeeltelijk. De middelen voor vindplaatsgericht jeugdwerk (600 contacturen en 250 ondersteuningsuren) zijn inderdaad bedoeld om jongeren die jeugdwerkorganisaties in de wijk bereiken en waar ze contact mee hebben, toe te leiden naar de activeringspartners binnen het partnerschap. Dit omvat outreach en toeleiding en kan ook intake‑achtige gesprekken en een vorm van co‑begeleiding inhouden. 

 

Tegelijk gaat de rol van de jeugdwerkorganisatie verder dan louter doorverwijzing: zij bouwen vertrouwen op met jongeren en zorgen voor een warme overdracht naar de andere partners.


De verdere trajectbegeleiding richting werk wordt opgenomen binnen het partnerschap, in samenwerking met de andere partners. 

 

De concrete invulling van taken zoals intake en co‑begeleiding wordt binnen het partnerschap afgestemd.

De jeugdwerkorganisatie maakt deel uit van het partnerschap zelf en fungeert dus niet louter als externe toeleider. Ze is een volwaardige partner binnen het partnerschap en neemt een specifieke rol op in toeleiding van jongeren, naast de andere rollen die ze invullen vanuit hun eigen opdracht.


De middelen die specifiek voorzien zijn voor vindplaatsgericht jeugdwerk zijn in eerste instantie bedoeld voor deze rol van toeleider en (eventueel) co‑begeleider. De concrete invulling van deze rol en de samenwerking hierrond worden verder uitgewerkt binnen het partnerschap zelf.


Daarnaast kan de jeugdwerkorganisatie ook andere rollen opnemen binnen het partnerschap, bijvoorbeeld in de begeleidingstrajecten. In dat geval bepalen de partners onderling de rolverdeling en de inzet van middelen. Deze bijkomende rollen worden dan gefinancierd vanuit het algemene werkingsbudget van het partnerschap, en niet vanuit het specifieke budget voor jeugdwerk.

Nee. De verantwoordelijkheid voor outreach (vindplaatsgericht werken) ligt niet uitsluitend bij de jeugdwerkorganisaties. Het volledige partnerschap draagt hier verantwoordelijkheid voor.


Van partnerschappen wordt verwacht dat ze wijkgericht werken en actief inzetten op het bereiken van niet-beroepsactieven via samenwerking met verschillende vindplaatsen en lokale actoren. Jeugdwerkorganisaties spelen hierbij wel een belangrijke en specifieke rol in het bereiken van jongeren, maar maken deel uit van het bredere partnerschap dat gezamenlijk instaat voor outreach en toeleiding.

Een organisatie kan als jeugdpartner worden beschouwd wanneer ze een stedelijke erkenning heeft als jeugdwerking (stad Antwerpen). 


De werking voldoet aan de definitie van jeugdwerk en is:

  • groepsgericht
  • sociaal-cultureel
  • niet-commercieel
  • voor en door kinderen en jongeren (6–26 jaar)
  • in de vrije tijd en onder educatieve begeleiding
  • vrijwillig en gericht op de integrale ontwikkeling van jongeren

De erkenning als jeugdorganisatie kan bijvoorbeeld worden aangetoond via:

  • een erkenningsaanvraag volgens het stedelijk reglement
  • aansluiting bij een Vlaams erkende jeugdvereniging
  • het ontvangen van districtssubsidies of stedelijke subsidies
     

Vragen over de samenwerking met VDAB

We richten ons in de eerste plaats op niet-beroepsactieven in deze oproep. Zij hebben geen toestemming nodig vanuit de VDAB. 


Voor wie een uitkering krijgt, is toestemming wel nodig. We werken hiervoor aan vlotte contacten en samenwerking tussen de stad en VDAB. 

Vragen over ondersteunende dienstverlening

Ondersteunende dienstverlening omvat bijvoorbeeld het behalen van een VCA-attest, psychologische hulpverlening, enzovoort. Het gaat om diensten die inspelen op de noden van de doelgroep om hun traject te ondersteunen.

De concrete noden worden bij de start van het partnerschap in 2027 samen met de partnerschappen bepaald. Op basis daarvan wordt beslist welke ondersteunende diensten worden ingezet.

De selectie van deze dienstverlening gebeurt dus in overleg bij de opstart, maar de budgetten en de regie liggen bij Stad Antwerpen.
 

Kandidaat-partnerschappen kunnen zeker al suggesties doen, maar zij brengen deze dienstverlening niet zelf aan en budgetteren die ook niet. 

 

De effectieve keuze en financiering gebeuren centraal bij de opstart van de twee partnerschappen.

Vragen over budget

Budgetten worden per jaar vastgelegd. Er is binnen een budgetjaar wel ruimte om, in overleg, te schuiven tussen partners binnen de samenwerking of bestemming van middelen.

De penhouder sluit de overeenkomst af met stad Antwerpen maar het partnerschap als geheel blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van het project. De interne financiële afspraken tussen de partners worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst tussen de penhouder en de partnerorganisaties. Het partnerschap is bovendien hoofdelijk en solidair verantwoordelijk voor de uitvoering van het goedgekeurde voorstel.  

 

Prestaties van partnerorganisaties mogen onderling worden verrekend (bijvoorbeeld via een schuldvordering of een andere contractueel vastgelegde regeling). De kosten moeten echter steeds rechtstreeks gekoppeld zijn aan de uitvoering van het project en mogen niet leiden tot dubbele financiering.

 

Voor de begroting verwachten we een geïntegreerd financieel plan voor het volledige partnerschap. Daarbij kunnen enkel direct bewijsbare projectkosten worden opgenomen, zoals personeelskosten en aantoonbare werkingskosten.  
Onder werkingskosten verstaan we onder meer:

  • consultancykosten
  • interimkosten
  • vrijwilligersvergoedingen
  • verplaatsingskosten
  • reis- en representatiekosten
  • vorming van medewerkers (afzonderlijk te vermelden)
  • locatie-, onderhouds- en nutskosten
  • ICT-licenties, telefonie en gsm
  • communicatiekosten zoals drukwerk, folders en flyers

Overheadkosten voor ondersteuning van de organisatie (zoals directie, management, boekhouding, secretariaat, ICT- en HR-diensten) kunnen proportioneel worden toegerekend volgens een gemotiveerde en billijke verdeelsleutel, met een maximum van 10%.
Kosten zoals boetes, financiële sancties, verwijlintresten, gerechtskosten en uitgaven die behoren tot de persoonlijke levenssfeer zijn niet subsidiabel.
 

Praktische tip: om bij eventuele controles zicht te hebben op de volledige financiële opbouw van het partnerschap, vragen we dat elke partnerorganisatie het financieel sjabloon afzonderlijk invult voor het deel van de werking waarvoor zij verantwoordelijk is. Deze deelbegrotingen kunnen vervolgens worden samengebracht in één geïntegreerde begroting van het partnerschap.

Vragen over resultaten

Er wordt gewerkt met een afsprakennota. Daarin wordt opgenomen dat we elke drie maanden kort evalueren en een stand van zaken bespreken van het project. 

 

We verwachten dat problemen of vertragingen hier tijdig besproken worden. Zo kunnen we in samenspraak bijsturen, budgetten bekijken, of zaken veranderen. 

Een traject wordt als afgerond beschouwd wanneer de afgesproken begeleiding is doorlopen en een duidelijk restultaat is bereikt. De volledige definitie is te vinden in de woordenlijst.

Ja.

De oproep voorziet dat trajecten maximaal 18 maanden kunnen duren, inclusief maximaal 6 maanden nazorg. Trajecten worden op maat georganiseerd: zo lang als nodig, zo kort als mogelijk. Het partnerschap is integraal verantwoordelijk voor de uitvoering en opvolging van de goedgekeurde trajecten.

 

Indien deelnemers zich aan het einde van de periode waarin het project financieel wordt ondersteund nog in een lopend traject of nazorgfase bevinden, verwachten we dat het partnerschap deze deelnemers verder opvolgt tot het traject volledig is afgerond. Het toegekende budget wordt namelijk berekend op basis van het realiseren van het vooropgestelde totaal aantal trajecten en de bijhorende resultaten, niet op basis van een stopzetting van de begeleiding op de einddatum van de subsidieperiode.

 

De inhoudelijke rapportering wordt binnen de afgesproken termijnen ingediend. Daarin vermeldt het partnerschap:

  • het aantal afgeronde trajecten;
  • het aantal deelnemers dat nog in een lopend traject zit;
  • het aantal deelnemers dat zich nog in de nazorgfase bevindt.

Na afronding van deze resterende trajecten of nazorgtrajecten wordt de rapportering aangevuld met de definitieve resultaten, zodat deze kunnen worden meegenomen in de eindrapportering van het partnerschap.
We verwachten daarom dat partnerschappen bij de uitwerking van hun aanpak en planning rekening houden met de mogelijkheid dat een beperkt aantal trajecten doorloopt voorbij de formele projectperiode, zodat deelnemers een kwalitatieve begeleiding en nazorg kunnen genieten tot hun traject op een correcte manier werd afgesloten. Dat sluit aan bij de doelstelling van de oproep om duurzame uitstroom naar werk te realiseren en deelnemers niet voortijdig uit begeleiding te laten uitstromen omwille van het einde van de projectperiode.
 

Vragen over evaluatie

In principe wel. 
Continuïteit binnen het partnerschap is belangrijk om kwaliteit en opvolging te garanderen. 


We werken met afsprakennota's voor de samenwerking, waardoor wijzigingen, in overleg en op basis van evaluaties, mogelijk zijn indien nodig.