Jodenvervolging in Borgerhout

In mei 1940 viel nazi-Duitsland België binnen. De Duitse bezetter viseerde al snel de Joodse bevolking, uiteindelijk werden er 25 000 Joden uit België gedeporteerd. Al snelt valt op dat het hoogste percentage aan deportaties van Joden in Antwerpen lag, en meer bepaald in Borgerhout. Borgerhout had toen de tweede grootste Joodse gemeenschap in Antwerpen. Historicus Lieven Saerens schreef hierover: “Alle cijfergegevens {wijzen} erop dat de Joden in Antwerpen hoe dan ook meer kans hadden om gearresteerd te worden en zodoende kwetsbaarder waren dan Joden in de rest van het land.” Onze vraag luidt dan: Waarom Antwerpen en specifiek Borgerhout?

Het Ooststation gelegen in Borgerhout in de eerste helft van de twintigste eeuw. (bron: FelixArchief, stadsarchief Antwerpen, 752#512)

Noor Ramdani (student geschiedenis aan Universiteit Antwerpen) schreef tijdens haar stage in Borgerhout dit onderzoeksartikel als aanvulling op de activiteiten rond de Tweede Wereldoorlog. 

Joden in Borgerhout

De Joodse gemeenschap in Borgerhout was divers, niet alleen op vlak van afkomst maar ook van economische status. In de loop van de negentiende eeuw bereikten heel wat Joden Borgerhout via het Ooststation. Ze kwamen voornamelijk uit Oost- en Centraal-Europa. Zo was meer dan 50% van Poolse afkomst en bezat slecht 10% de Belgische nationaliteit. In 1905 werd de bouw van het Antwerpse Centraal station afgerond, waarna er ook daarrond een Joodse gemeenschap ontstond. De Antwerpse en Borgerhoutse Joodse buurten liepen in elkaar over, met de Plantin en Moretuslei en de Provinciestraat als centrum.

Het Ooststation gelegen in Borgerhout in de eerste helft van de twintigste eeuw. (bron: FelixArchief, stadsarchief Antwerpen, 752#512)
De nationaliteit van de Antwerpse Joden omstreeks maart-mei 1942. (bron: Saerens, L. (2000). Vreemdelingen in een wereldstad: een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944). Lannoo Uitgeverij)

Antisemitisme in Borgerhout

Het antisemitisme kwam in Antwerpen aanzienlijk op aan het einde van de negentiende eeuw, samen met de Joodse migratiestroom. Het kwam vanuit de katholieke hoek. Zo deed het Borgerhoutse katholieke blad Het Vlaamsch Heelal vaak anti-Joodse uitspraken in de jaren 20. Tijdens de jaren 30 kwam het antisemitisme nog sterker op gang. In Antwerpen ontstonden toen ook organisaties die uitsluitend antisemitisch waren. Vanaf 1933 gebruikten die ook geweld. Na de annexatie van Oostenrijk door Duitsland vluchtten heel wat Joden naar België, dat leek het antisemitisme alleen maar aan te wakkeren. 

De Borgerhoutse Volksverwering werd opgericht in januari 1937, en zou uitgroeien tot een collaborerende anti-Joodse organisatie. In de loop van de jaren 30 publiceerde de Volksverwering al antisemitische bladen, en hield de organisatie ook vergaderingen en manifestaties. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte de organisatie samen met de Duitse bezetter aan de Jodenvervolging. Stichter René Lambrichts was Borgerhoutenaar, hij groeide zelfs op in de Borgerhoutse Joodse buurt. Hij studeerde rechten en opende zijn advocatenkantoor op het Moorkensplein 39. Het hoofdkwartier van de Volksverwering was ook gevestigd in Borgerhout, aan de Van der Keilenstraat 46. Vele meetings vonden zo ook plaats in Borgerhout. 

Ook op 6 december 1938 organiseerde de Volksverwering een meeting in Borgerhout. Aan het einde van de bijeenkomst trokken de aanwezigen door de Joodse buurt. Ze haalden uit naar de Joodse bewoners, maar er vond geen verdere escalatie plaats. Op dezelfde locatie werd 4 juli 1939 opnieuw een vergadering gehouden. René Lambrichts gaf toen een speech met als titel ‘Genoeg Jodenbescherming! Eerst werk voor eigen volk!’. 

De Volksverwering was verantwoordelijk voor de eerste Antwerpse pogrom, een gewelddadige aanval op een specifieke groep. Op 14 april 1941 brak de pogrom uit in de Antwerpse Joodse buurt, vlak bij de Borgerhoutse Joodse buurt. Dat gebeurde na de vertoning van de antisemitische propagandafilm ‘Der Ewige Jude’ van regisseur Fritz Hippler. De film werd vertoond in cinema Rex, en werd ingeleid door René Lambrichts. De daders brachten grote schade aan in de Joodse buurt, en vernielden de synagogen van de Van den Nestlei en van de Oostenstraat.

Een beeld van de antisemitische groep tijdens de anti-Joodse pogrom in april 1941. (bron: Wikimedia Commons)
De Borgerhoutse René Lambrichts, leider van de antisemitische organisatie Volksverwering. (bron: Wikimedia Commons)

De nazi’s vonden in Borgerhout medestanders in antisemitische hoek. Net als René Lambrichts waren heel wat andere collaborerende kopfiguren van Borgerhoutse oorsprong. Zo was de Borgerhoutse Paul de Mont leider van de extreemrechtse partij Rex-Vlaanderen. En de Borgerhoutse Frans Mattheessens , een uitgesproken antisemiet, zou uiteindelijk verkozen worden tot Antwerps gemeenteraadslid. Deze figuren waren gekend met het Borgerhoutse terrein, wat in hun voordeel was bij de Jodenvervolgingen en deels het hogere deportatiecijfer verklaart. Naast deze antisemitische organisaties speelde ook het lokale bestuur een rol in de Jodenvervolging , die in de eerste plaats uiteraard werd georganiseerd door de Duitse bezetter. 

Samenwerking met het lokale bestuur

Na de Duitse inval herverdeelde de bezetter Antwerpen al snel. De deelgemeenten werden gefuseerd, en zo werd Groot-Antwerpen een feit. Alle deelgemeenten, waaronder Borgerhout, hadden nog steeds een burgemeester, al lag de macht eerder bij de Antwerpse burgemeester Leo Delwaide. Zo hield de Duitse bezetter het Antwerpse bestuur onder de duim. De Duitsers voerden steeds meer anti-Joodse regels door. Vanaf 30 november 1940 dienden alle Joden ouder dan 15 jaar zich aan te melden bij het gemeentehuis om zich te laten opnemen in het Jodenregister. Deze inschrijving werd bevestigd op hun identiteitskaart met de stempel van ‘JOOD-JUIF’.

De Antwerpse gemeentehuizen speelden een cruciale rol in het in beeld brengen van de Antwerpse Joodse bevolking. Het was ook aan de gemeentehuizen om de davidsterren uit te delen. Joden moesten dragen op straat de gele ster om zich te onderscheiden. Het uiteindelijke doel van deze maatregelen was de vervolging van de Joodse bevolking.

In dit Borgerhoutse Jodenregister staan de personen die hun ster in ontvangst hadden genomen. Bron: FelixArchief, stadsarchief Antwerpen, 1702#7528)
In dit Borgerhoutse Jodenregister staan de personen die hun ster in ontvangst hadden genomen. Bron: FelixArchief, stadsarchief Antwerpen, 1702#7528)

De Antwerpse gemeentehuizen droegen ook op een andere manier bij aan de Jodenvervolging. Alle inwoners van Antwerpen kregen hun rantsoenzegels bij het lokale gemeentehuis. Zo kwam iedereen in contact met het bestuur. De Duitse bezetter zette agenten in om Joodse inwoners te ‘arresteren’ als ze zich aanmeldden in het gemeentehuis, waarna ze gedeporteerd werden. Contact met het lokale bestuur was dus gevaarlijk voor de Joodse bevolking, wat bevestigd wordt door het volgende verhaal. Een Joodse vrouw uit Borgerhout moest haar vreemdelingenpas vernieuwen in het gemeentehuis. Als ze dit niet deed, kon ze geen rantsoenzegels meer krijgen. Na zich aan te melden werd ze gedeporteerd.  Het verhaal vertelt ons dat ze niet alleen kwetsbaar was door haar Joodse identiteit, maar ook door haar niet-Belgische afkomst. Zo was ze meer afhankelijk van het lokale bestuur, wat haar in deze periode een makkelijk doelwit maakte. 

Ook een andere tak van het bestuur, de Antwerpse politie, werkte nauw mee met de Duitse bezetter. Dat werd duidelijk tijdens de Jodenrazzia’s in Antwerpen en Borgerhout. Uiteindelijk werkte de Antwerpse politie actief mee aan de aanhouding van 3000 Joden.

De Jodenrazzia’s van 1942

In augustus 1942 vonden er meerdere razzia’s plaats in de Antwerpse en Borgerhoutse Joodse buurt. De politie was eerst beperkt betrokken en grendelde enkel de getroffen straten af. Veel agenten verzetten zich ook bewust bij de eerste razzia: ze deelden pamfletten uit aan de Joodse inwoners zodat die genoeg tijd hadden om te vluchten. De Duitse bezetter reageerde heftig. Alle agenten die zich verzetten, moesten worden gedeporteerd. Dat maakte dat de politie steeds strenger optrad bij de volgende razzia’s. Sommige politieagenten werden uiteindelijk ook fanatieke Jodenvervolgers. Aan het begin van de bezetting waren de niet-Belgische Joden aanzienlijk kwetsbaarder, later werden ook Belgische Joden tijdens de razzia's geviseerd. De actieve medewerking van de politie aan de Jodenvervolging in Borgerhout is een andere verklaring voor het hoge deportatiecijfer.  

Een kaart van de Jodenrazzia op 15 augustus 1942 uit het boek Vreemdelingen in een wereldstad, Lieven Saerens.
Een weergave van de deportatiepercentages in Antwerpen: Borgerhout kent de hoogste percentages. Uit het boek Vreemdelingen in een wereldstad ,Lieven Saerens.

Vervolging van collaborateurs na de Tweede Wereldoorlog

De Antwerpse politie werkte dus actief mee aan de aanhouding van 3000 Joden. Na de oorlog werden er echter geen politieagenten veroordeeld voor collaboratie. Zo behielden heel wat kopstukken binnen het korps hun functie. De politieagenten verklaarden achteraf dat ze enkel bevelen van hogerop volgden en stelden dat enkel overmaatse Jodenvervolging volgens hen een strafbaar feit was. Bovendien zou de veroordeling van de politieagenten ook de betrokkenheid van de hogere ambtenaren impliceren. De burgemeester en de adjunct-commissaris volgden namelijk nauw op wat de bezetter van hen vroeg. 

Vele politieagenten hadden zich ook verzet tegen de Duitse bezetter en verloren daardoor hun leven. Na de oorlog werd er sterk ingezet op deze groep en kreeg het Antwerpse politiekorps een verzetsimago. De gedenksteen op het gemeentehuis van Borgerhout kan mogelijk aan deze context worden toegeschreven. Op het beeld staan de namen van de Borgerhoutse politieagenten die sneuvelden als verzetsstrijders.

Joodse overlevenden werden weinig betrokken bij de vervolging van collaborateurs. Zo werd er enkel een Joodse klacht ingediend door de organisatie ‘Hulp aan Joodsche Slachtoffers van den Oorlog’. Die klacht was gericht tegen de Borgerhoutse adjunct-commissaris Leon J. van Thillo. Die had zich schuldig gemaakt aan de aanhouding van Antwerpse Joden, wat volgens de organisatie in strijd was met de Belgische grondwet. Van Thillo beweerde: “De Joden werden voorkomend behandeld en geen enkel werd door ons mishandeld of gebrutaliseerd.” Het kwam nooit tot een rechtszitting. 

Antisemitisch klimaat in Antwerpen

Het hoge Antwerpse deportatiecijfer is in de eerste plaats, maar dus niet alleen toe te schrijven aan de Duitse bezetter. De samenwerking van antisemitische Borgerhoutenaren liet een effectievere Jodenvervolging toe. Daarnaast kon de Duitse bezetter rekenen op steun van het Antwerpse bestuur. In Brussel lagen de deportatiecijfers aanzienlijk lager, vele Antwerpse Joden vluchtten dan ook naar de hoofdstad. Het Brusselse stadsbestuur werkte maar beperkt mee met de Duitse bezetter.  

Ook op andere vlakken vertoonde de Holocaust in Antwerpen specifieke kenmerken die verschilden van andere Belgische steden. Om te beginnen was de Joodse gemeenschap nergens groter dan in Antwerpen. Op het einde van 1940 leefde 52,94% van de geregistreerde Joden in België in de Scheldestad. Die Joodse bevolking kreeg het ook extra hard te verduren. Zo werden op het einde van 1940 en aan het begin van 1941 meer dan 3000 ‘vreemdelingen’ – voornamelijk Joden – gedwongen om van Antwerpen naar Limburg te verhuizen. Er was het antisemitische klimaat, met als climax de al beschreven pogrom na de vertoning van de antisemitische propagandafilm ‘Der Ewige Jude’ op 14 april 1941. In de zomer van 1942 vonden er in Antwerpen vier Jodenrazzia’s plaats, tegenover één in Brussel. En dan is er nog de dwangarbeid in Noord-Frankrijk in het kader van de Organisation Todt: het percentage Joodse mannen dat hierdoor werd getroffen, was nergens hoger dan in Antwerpen.

 

Lees meer

Dit artikel is gedeeld door